Gebrandmerkt (kort verhaal)

Middeleeuwse Schrijfwedstrijd ‘Gebrandmerkt’. Godijn Publishing. Longlist behaald. 

GEBRANDMERKT

Grave, januari 1495

Met trillende handen duw ik de zware houten deur dicht waarbij hij gevaarlijk kraakt. Stil nou. Geen aandacht trekken. Het kabaal van buiten klinkt ineens bedompt achter de zware eiken planken van de deur van de enorme Elizabeth kerk in het centrum van de stad. Ik zie nog net mijn rode, verkleumde vingers tegen het donkere hout voordat ik met een zucht mijn voorhoofd tegen de koude deur laat rusten. Mijn ademhaling gaat veel te snel en mijn hart pompt mijn bloed als een bezetene door mijn lichaam. Ondanks de snijdende kou voel ik zweetdruppeltjes achter in mijn nek en langs mijn rug naar beneden sijpelen. Terwijl ik de geluiden van buiten probeer te negeren, spits ik mijn oren of ik geluid in de kerk hoor. Het lijkt stil. Voorzichtig draai ik me om en kijk langs de capuchon van mijn cape om de kerk in. Niets. Een aantal kaarsen flikkeren door de tocht die eeuwig door de muren trekt, maar verder is er geen beweging waar te nemen. Behoedzaam draai ik me om, laat een diepe zucht ontsnappen en wrijf even in mijn handen om ze op te warmen. Het is wrang. De enige plek die in me opkwam om te schuilen is de plek van mijn zo gebleken vijand.

Langzaam schuif ik door het brede gangpad naar voren terwijl mijn voeten geluidloos dichter naar het altaar lopen over de enorme grijze stenen. Ik trek de capuchon van mijn cape van mijn hoofd af en voel de kille tocht langs de zweetdruppeltjes in mijn nek gaan. Ik ril even maar houdt mijn blik gericht op de beeltenis van Christus aan het kruis. Hij lijkt me medelevend aan te kijken en ik schud zachtjes mijn hoofd terwijl mijn gedachtes over elkaar heen tuimelen. Maar één vraag roept het hardst van allen en terwijl ik het beeld van onze Heer aankijk vormen de woorden zachtjes op mijn lippen: hoe heeft het zover kunnen komen?

Eerder…

‘Poeh, wat een weer…’ Mijn moeder klopte de sneeuw van haar mantel en duwde de deur van ons kleine huisje in de Hamstraat snel dicht. Ik rilde door de koude windvlaag die ze mee naar binnen nam en trok het ruwe deken aan mijn voeten verder over mijn rok heen.
‘Zeg dat wel.’ knikte ik terwijl ik me weer op het boek dat in mijn schoot lag concentreerde.
‘Ach, lees dat toch niet Marie, het is onzin.’ Mijn moeder fronste haar wenkbrauwen en diepe rimpels trokken in haar voorhoofd terwijl ze naar het boek keek.
‘Het is interessant.’ wierp ik tegen terwijl ik het dichtklapte en de kaft bekeek. De titel stond met sierlijke letters op de beige kaft geschreven; Malleus Maleficarum.
‘Ze hebben geen idee waar ze het over hebben en wat ze teweeg brengen…’ mompelde mijn moeder terwijl ze haar mantel afdeed en nogmaals uitschudde voordat ze hem aan de haak bij de deur hing. ‘Het is gevaarlijk, weet je. De onwetendheid…’ Ze keek me even strak aan en pakte toen de mand met kruiden die ze op de markt had gehaald. Ze liep ermee naar de eettafel.
‘Het is toch niet gevaarlijk om te lezen?’ Ik pakte ietwat uitdagend het boek weer op en sloeg hem weer open waar ik was gebleven. Ik veegde een pluk donker haar uit mijn gezicht en voelde de kleine vertrouwde wijnvlek die op mijn wang zat. In het tweede deel van het boek werd beschreven hoe gevaarlijk en zwak vrouwen zijn van nature. Ik hoorde mijn moeder nog wat nasputteren maar uiteindelijk wist ze natuurlijk wel dat ik het boek toch ging uitlezen. Ik had het gekregen, te leen weliswaar, van Hendrik. Hendrik was de zoon van de bibliothecaris en mijn goede vriend. Ik was er erg voorzichtig mee want ik wist dat het eigenlijk niet de bedoeling was dat ik het zou lenen. Maar ik had Hendrik aan zijn hoofd gezeurd totdat hij het meenam voor me. Ik wilde perse lezen waar iedereen het over had. De heksenvervolging in Europa werd steeds heftiger sinds Heinrich Kramer dit boek had uitgebracht. Het vertelde hoe je het beste vermeende heksen kon ondervragen en folteren. Ik rilde bij de gedachten.

Er klonk gestommel op de stenen trap in de hoek van ons huis en zowel mijn moeder als ik keken op toen grootmoeder langzaam de trap af kwam gelopen. Ze had gerust en haar tengere, magere benen konden haar nog maar met moeite de trap af naar beneden brengen. Ik sprong op om haar te ondersteunen en begeleidde haar voorzichtig naar de stoel bij het vuur waar het ik het deken, wat zo even nog om mijn voeten lag, over haar schoot drapeerde. Dankbaar kneep ze even in mijn hand en richtte toen haar aandacht op mijn moeder die nog altijd bij het fornuis stond met haar zojuist aangeschafte waren. Ze had een bezorgde blik in haar ogen.
‘Is het al klaar?’ Er zat een trilling in haar stem die verraadde dat mijn grootmoeder iets onder de leden had. Een griepje, had ze vanochtend gezegd terwijl ze onze geuite zorgen wegwuifde. Maar kort daarna had ze mijn moeder gevraagd ingrediënten te verzamelen voor een bepaald mengsel. Ik herkende de samenstelling niet toen ze opnoemde wat er in moest en ook mijn moeder had even verbaasd gekeken maar geknikt en alles opgeschreven. Mijn grootmoeder was een beroemde kruidenvrouw en genezeres. Nog altijd kwamen mensen uit de wijde omgeving van de stad, ver buiten de grenzen van het gebied, om haar raad en hulp te vragen. Mijn grootmoeder had haar kennis zoveel mogelijk overgebracht op mijn moeder, die op haar beurt nu mij dikwijls onderwees over de verschillende mengsels en kruiden om wondjes en ziektes te genezen. Drie generaties vrouwen in één huis met de kracht om anderen te helpen. Naast de mand met kruiden op de scheve houten tafel had mijn moeder het dikke boek liggen met alle recepten en beschrijvingen. Mijn grootmoeder en háár moeder daarvoor hadden alles wat ze wisten opgeschreven. Toch was een deel van het boek nog leeg, iets wat me als kind al fascineerde.
‘Voor later…’ zei grootmoeder steevast wanneer ik er weer eens naar vroeg.
Ik werd ruw uit mijn overpeinzingen getrokken toen mijn grootmoeder onbedaarlijk begon te hoesten. Ik sprong op en rende naar haar toe om haar op haar rug te kloppen en in mijn ooghoek zag ik mijn moeders bezorgde gezicht voordat ze zich weer over het boek boog. Het besef kwam als een lawine over me heen; dit was geen normaal griepje.

‘Alstublieft…help ons…’ Het kleine meisje in de deuropening van ons huisje keek mijn moeder smekend aan. ‘Mama weet niet meer wat ze moet doen!’
Tranen vulde haar ogen terwijl ze wanhopig langs mijn moeder de kamer in probeerde te kijken. Het meisje had versleten schoenen aan en een te grote mantel omgeslagen. In haar blonde haren smolten verse sneeuwvlokjes waardoor strengen haar vochtig werden en donker kleurden. Mijn moeder keek peinzend naar mijn grootmoeder die in de hoek van de kamer op een geïmproviseerd bed lag. Ze had haar ogen dicht en lag diep onder de ruwe dekens gestopt. Het meisje stak haar hoofd om de hoek en haar ogen werden groot. Moeder moeder duwde haar langzaam terug naar buiten. ‘Sorry, we kunnen nu niet helpen.’
Mijn moeders stem klonk zachtjes en het was duidelijk dat ze in tweestrijd was. Grootmoeder en mama hebben nog nooit iemand hulp geweigerd.
‘Ik kan hier niet weg.’ Ze wees afwezig richting grootmoeder en keek het meisje even aan. De tranen rolden nu over de wangen van het meisje en lieten rode vlekken op haar huid achter. ‘Alstublieft…Hij is zo ziek’ probeerde ze nog een laatste maal.
‘Zal ik gaan?’ Mijn stem klonk vreemd, gespannen. Mijn moeder draaide zich naar mij om en keek me verward aan alsof ze mijn aanwezigheid was vergeten.
‘Je hebt me alles geleerd. Ik kan misschien helpen…’ Mijn moeder knikte langzaam en draaide zich toen weer naar het meisje om. ‘Ga naar huis. Marie komt over tien minuten. Zorg voor kokend water…’
Met die woorden sloot mijn moeder de deur en na nog een snelle blik op grootmoeder en een zucht, liep ze naar de tafel waar het dikke boek op lag.
‘Luister goed…Dit is wat je moet doen…’

Met een mand vol kruiden en trillende verkleumde handen liep ik voorzichtig over de besneeuwde keien van de straat. Het meisje woonde met haar moeder en kleine broertje aan het eind van deze straat in een smal en tochtig huisje. Ik kende ze wel. Haar broertje was al een paar dagen ziek maar nu leek het erger te worden. Hij had heftige koorts, was niet meer echt bij bewustzijn al prevelde hij soms wel wat onnavolgbare woorden. Hun moeder was ten einde raad. Er waren deze strenge winter al te veel kinderen gestorven en mijn moeder had niet gewild dat dit jongetje de volgende zou zijn. Ik wist wat ik moest doen maar wist ook dat het wellicht te laat was. Ik sloeg mijn ogen neer om de dwarrelende sneeuwvlokken te ontwijken en aarzelde even toen ik voor de houten deur stond. Wat als ik niet kon helpen? Wat als het jongetje doodging? Ik beet op mijn lip en wenste dat mijn moeder of grootmoeder hier nu was. Zij wisten altijd precies wat ze moesten doen en waren immer rustig. Ik klopte zachtjes op deur en wachtte terwijl de wereld even stil leek te staan om me heen. Sneeuwvlokken leken te zweven en een gevoel van onrust bekroop me. Iets in mij probeerde mij te waarschuwen voor naderend onheil. Was het de dood die al in het huis waande? Ik rilde en klopte nog eens op de deur. Nu harder. De deur vloog open en het kleine blonde meisje keek me angstig aan met bloeddoorlopen ogen.
‘Kom snel….’ fluisterde ze. Ik stapte de donkere kamer in die slechts verlicht werd door een zwak schijnsel van het vuur in de haard. Het was er bedrukt, muf en warm. Het stonk er naar…Ik schudde mijn hoofd en probeerde de gedachte van me af te zetten. Ik liep naar de dekens in de hoek van de kamer waar donkere plukken haar boven de deken uitstaken. Naast het bed zat zijn moeder te huilen; ze jammerde terwijl ze zijn hand bleef kussen. ‘Oh Here God, bescherme mijn lieveling…’ hoorde ik haar prevelen. Ze leek niet te merken dat ik er was.

‘Heb je het gekookt water?’ vroeg ik aan het meisje. Ze kon amper ouder dan zes jaar zijn maar ze knikte met de wijsheid van een volwassen vrouw en wees op een grote ketel bij het vuur. Ik knikte en liep er naartoe. Ik volgde nauwgezet de instructies van moeder en stopte de kruiden een voor één in het borrelende water. De geur van het kruidenmengsel moet tot de moeder zijn doorgedrongen want plotseling begon ze paniekerig naar me te roepen; ‘Doe iets…doe dan iets…Oh God, doe iets…’ Ik depte een vuile doek in een kan met koud water en wrong hem uit. ‘Hier’ zei ik tegen het meisje terwijl ik de doek in haar handen duwde. ‘Leg dit op zijn voorhoofd…’
Ik keek toe hoe het meisje naar haar broertje snelde en ik roerde nogmaals in de ketel met kruiden. Het zou nog een hele opgave worden om hem het mengsel te laten drinken maar het was écht de enige manier om dit een kans van slagen te geven, had mijn moeder me op mijn hart gedrukt. Ik had geen keus.
Ik hoorde het jongetje kreunen toen zijn zus de koude doek op zijn voorhoofd legde. Mooi, hij was bij.
Het vuur siste toen er druppels van het mengsel op de houtblokken vielen terwijl ik met een grote lepel het mengsel uit de ketel overschepte in een kleine kom. Ik greep een lepel van de kleine tafel en liep naar de jongen toe. Zijn moeder begon harder te jammeren en bad tot God dat haar kind zou blijven leven. Ik bad ook.

De jongen zag lijkbleek, zijn lippen waren een vreemde paarsblauwige kleur maar de zinderende hitte die van hem af stoomde was al voelbaar van een afstand. Onder zijn ogen schemerde een groenige waas. Ik voelde de dood hijgen terwijl de klamme lucht zich in mijn longen nestelden. Ik hoestte een beetje en probeerde het mengsel met de lepel naar zijn lippen te bewegen. Mijn handen trilden en druppels vormden zich op het deken. De jongen kreunde terwijl er wat van het goedje op zijn lippen kwam en een groot deel langs zijn kin naar beneden droop.
‘Kom op…’ mompelde ik en probeerde het nog eens. Met een harde klap en een ijzige windvlaag vloog de deur open en knalde tegen de muur. Een grote gestalte vormde zich in de deuropening en wierp een lange schaduw op de vloer van het huisje.

‘Gods wil zal geschiede in dit huis…’ De man stormde richting het bed en duwde mij ruw aan de kant. Het mengsel klotste over de rand maar ik hield de kom nog net recht. Geschrokken keek ik naar de man die boven me uittorende. Het was de priester, gehuld in een donker gewaad.
‘De duivel is in hem gekomen en slechts God kan hem redden…’ Zijn woorden dreunden als een mokerhamer door de kleine kamer en ik hapte naar adem. Zijn felle groene ogen rustten op mij.
‘Ga weg met je heidense drankje. Niet langer zult u de Duivel via zijn lippen verwelkomen.’

Mijn hart bonkte in mijn keel terwijl ik razendsnel probeerde te bedenken wat ik moest doen. Laat hem minstens vijf lepels drinken. Mijn moeders woorden zweefden door mijn hoofd en ik keek twijfelend van het mengsel in de kom naar de door wanhoop overmande moeder van het jongetje. De priester pakte de jongen ruw bij zijn tengere schouders en schudde hem door elkaar. ‘De duivel moet hem verlaten! De Duivel huist in hem!’ donderde hij terwijl de lucht begon te trillen. De jongen kreunde en liet een pruttelend geluid horen. Ik zag mijn kruidenmengsel langzaam langs zijn lippen sijpelen en besefte dat ik niets meer kon doen. Een trillende zucht ontsnapte en toen was het stil. De priester schudde nog eens met het arme jongetje maar ik had al gezien dat het te laat was.  De moeder begon hard te jammeren maar schreeuwde het vervolgens uit in haar wanhoop. ‘Nee! Mijn kind! Mijn zoon! Nee!’ Ze maaiden met haar handen naar haar zoon terwijl het blonde meisje met betraande ogen langzaam achteruit liep. De priester draaide zich woest naar mij om en een priemende bleke vinger wees beschuldigend naar mij. ‘Zij! Heks! Zij heeft hem vermoord!’

Mijn mond viel open van verbazing. Ik had hem willen helpen! Ik had niets gedaan!
‘De kruiden, de kruiden!’ jammerde de moeder en ze begon te knikken. Het blonde meisje schudde verbaasd met haar hoofd terwijl haar ogen, groot van angst, gericht bleven op de enorme, in donker gehulde, priester.
‘De Duivel is in dit huis en zal gestraft worden.’ siste de priester terwijl zijn groene ogen zich als spuwend gif op mij richtten. Ik schudde mijn hoofd en deinsde achteruit. Hij kwam langzaam met grote, dreigende stappen naar mij toe gelopen en ik bewoog me langzaam richting de deur. Ik moest zo snel mogelijk weg.
‘De Duivel huist in de vrouwen van het Duister. Kijk! Zij zijn gebrandmerkt met het bloed van de Duivel’ Zijn woorden schoten als messen door mijn buik en angst gierde als een windvlaag door mijn aderen. Ik sprong net op tijd weg toen een grote hand mijn arm probeerde te grijpen en terwijl ik begon te rennen hoorde ik het meisje gillen en het gekletter van de ketel op de stenen vloer. Ik vloog door de deur en rende de straat op. Waar moest ik heen? Ik kon onmogelijk naar mijn moeder en grootmoeder toegaan. Ik hoorde zware voetstappen achter me en in blinde paniek begon ik te rennen. Mijn voeten vlogen over de straat terwijl ik de keien over rende en een steeg inschoot. Ik hoorde de zware voetstappen van de priester in de verte en zijn roep om hulp. ‘Een heks! Het is een heks!’ Er verzamelden zich steeds meer mensen en ik bleef als een bezetene rennen. Ik wist niet waar ik heen moest maar ik had geen tijd om te denken of te twijfelen. Toen flitsen paragrafen van het boek dat ik thuis had gelezen door mijn hoofd. De kerk. De kerk blijkt mijn grootste vijand. Een helder moment besefte ik dat dat de enige plek was waar ze me niet zouden zoeken. Ik drukte me tegen de muur van de donkere steeg en sprintte toen, door de bizar vredig dwarrelende sneeuw, naar de enorme kerk aan de markt. Ik rammelde snel aan de deur, terwijl ik een angstige blik achter me wierp. Niemand. In de verte klonk geschreeuw. Woeste voetstappen naderden. De deur vloog open en een indringende wierook geur vulde mijn neus. Met trillende handen duwde ik de zware houten deur dicht waarbij hij gevaarlijk kraakte. Stil nou. Geen aandacht trekken.