Oude liefde (kort verhaal)

De kou sneed scherp in haar wangen maar ze voelde het niet. Ze schuifelde voorzichtig vooruit op de besneeuwde straat terwijl ze haar gedachten over elkaar heen tuimelden vol herinneringen aan vroeger. Zijn brief had de diepste beelden weer naar boven gehaald die zich als een oude diafilm voor haar ogen blijft afspelen. Zijn glimmende blauwe ogen, de warmte van zijn arm om haar heen en ze hoorde haar eigen schaterlach door de lege straat echoën. Een echo van het verleden. Ze was inmiddels een oude vrouw en voorbijgangers wierpen bezorgde blikken op haar terwijl ze voorzichtig haar ene voet voor haar andere zette. Zo schuifelde ze door de kille straat. De sneeuw was hier en daar verraderlijk glad maar als ze voorzichtig liep was er niets aan de hand. Haast had ze niet, vastberaden was ze wel.

Ze had de brief vanochtend pas gezien. Ze had het handschrift na al die jaren meteen herkend. Een brief van oud verdriet. De ouderdom bracht zoveel gebreken met zich mee en haar wereld was klein geworden, klein en eenzaam. Maar na het lezen van de brief was ze vastbesloten geweest. Toen de schemering inviel had ze haar warmste winterjas aan getrokken; een oude bontjas die al jaren in de kast op de gang hing. Ze had een donkere gebreide muts opgezet met een gehaakte bloem op de zijkant, haar oude lederen handschoenen aangetrokken en had de deur even later achter haar dicht getrokken. De duisternis viel snel over de lege straat en terwijl de vrouw stapje voor stapje op haar doel af liep, begonnen kleine sneeuwvlokjes naar beneden te dwarrelen. Ze rilde en voelde op hetzelfde moment haar voet wegglijden. Met een zwakke kreun stond ze stil en herpakte haar evenwicht. Haar knieën trilden van inspanning en haar heup protesteerde. De oude vrouw zuchtte en keek de lege, donkere straat voor haar in. Achter de huizen zag ze het zwakke flikkerende oranje licht dat haar bestemming markeerde; het dorpsplein. De huizen langs de weg waren allemaal verlicht met duizenden kleine lampjes; in de bomen, rond de dakgoten en overal waar ze een blik naar binnen wierp, zag ze statige bomen in de woonkamers staan. De ramen waren warm verlicht en de vrouw drukte het verlangen om weer warm binnen te zitten naar de achtergrond. Immers, het verlangen naar wat er op haar wachtte was groter. Langzaam kwam ze weer in beweging.

Ze was nog jong geweest toen ze hem voor het laatst gezien had. Zijn groene wollen kostuum spande toen strak op zijn brede schouders. Zijn kastanjebruine haren was glad naar achteren gekamd en zijn blauwe ogen hadden haar verlangend aangekeken. Het afscheid was als het einde van een tijdperk geweest. Hoewel hij haar beloofde terug te komen, had ze hem daarna nooit meer gezien. De oorlog nam meer dan je lief was en veranderde mensen, ze wist het maar al te goed. Ze had het hem nooit kwalijk genomen maar ze was hem nooit vergeten. Ze bleef even stil staan om op adem te komen en leunde tegen een lantaarnpaal terwijl ze de sneeuwvlokken van haar schouders veegde. Haar gehandschoende hand ging automatisch naar haar haren onder de gebreide muts. Grijze, korte, dunne haren waren in de plaats gekomen van de lange blonde krullen die ze destijds had gehad. Haar gezicht was rimpelig en gevlekt door de ouderdom en ze twijfelde. Zou hij haar wel herkennen? Ze was een oude vrouw geworden; niet meer de jonge meid van toen. Hoe zou hij eruit zien? Zou zijn haar nog altijd bruin zijn? Zou zijn gezicht ook getekend zijn door de tijd? Wat had het leven hem gebracht?
Vastberaden begon de oude vrouw opnieuw te lopen. In gedachten voelde ze zijn handen in de hare en keerde terug naar de roerige jaren van hun jeugd. Ook toen hingen de lampjes rond het dorpsplein en fonkelden de bomen als sterren aan een oneindige hemel. Ze voelde zijn arm om haar middel en de wind door haar haren suizen terwijl ze lachend rondjes dansten op de opzwepende tonen van de liveband die de avond had begeleid. Ze voelde een zweem van het ultieme geluksgevoel wat haar leven destijds omhelsde. Nu, als oude vrouw, dacht ze met weemoed terug aan de onbevangenheid van haar jeugd. Het leven was haar zwaar gevallen; het noodgedwongen afscheid van haar liefde, het overlijden van haar ouders kort daarop, een ongelukkig huwelijk en het te vroeg verliezen van haar enige dochter. De vrouw voelde tranen prikken die haar blik vertroebelde en stopte weer. De sneeuwvlokken begonnen zich te vermenigvuldigen en de wind begon steeds harder te waaien. Ze was bijna aan het eind van de straat. De wind blies grote sneeuwvlokken in haar gezicht en ze hapte even naar adem. Haar longen piepten terwijl ze haar hand op haar hart legde om het tot kalmte te manen. ‘Bijna..’ fluisterde ze zachtjes tegen zichzelf. ‘Bijna..’

Ze hoorde het opgewonden geschreeuw van de kinderen en op de achtergrond de warme klanken van de moderne kerstliedjes die ze ook op de radio had gehoord. Er klonk gelach en gezellig gepraat op het dorpsplein. Langzaam draaide de oude vrouw de hoek om en bleef weer even stilstaan. Op het dorpsplein, nu helemaal zichtbaar, was het een drukte vanjewelste. Een grote rechthoekige ijsbaan vulde het plein dat werd omringd door de grote oude eiken die vol gehangen waren met honderden gekleurde lampjes. Om de ijsbaan heen stonden houten huisjes versierd met dennentakken en lichtjes waaruit geurige dampen omhoog kwamen. Volwassenen stonden gemoedelijk met rode bekers in hun hand bij de huisjes terwijl de kinderen schaterend over de baan heen gleden. Terwijl de oude vrouw naar het plein staarde veranderde het plein langzaam van vorm. De ijsbaan verdween en maakte plek voor een dansvloer van vloerplaten die er werden neergelegd voor het jaarlijkse dorpsfeest. De bomen waren jonger en groen. De wind was gaan liggen. De muziek werd langzamer en veranderde in de klanken van haar jeugd. De vrouw sloot haar ogen en ruik de geur van de avond terwijl ze zijn armen langzaam om haar heen voelde glijden. Ze dansten de hele avond, geen moment van rust en draaiden en draaiden door de mensenmassa heen alsof ze overal bovenuit stegen.
Een verdrietige steek stak dwars door haar hoopvolle dagdroom en ze opende haar ogen weer. Ze was weer op de rand van het plein, de schaatsbaan was fel verlicht en de lichtjes waren terug. Een koude windvlaag dreef haar naar voren en ze voelde haar knieën knikken. Met trillende handen opende ze haar tas en haalde er een wit zakdoekje uit. Voorzichtig vouwde ze het uit en streek met haar gehandschoende duim over de initialen in de hoek.
Eindelijk was het zover. Haar hart bonkte in haar keel en haar voeten weigerden dienst toen ze zichzelf dwong om naar voren te lopen. Zou ze hem herkennen?
Vriendelijke, verbaasde blikken volgden haar terwijl ze langzaam richting de ijsbaan liep. Haar ogen speurden het plein af en toen stokte haar adem. Daar zat hij.

Op een bankje aan de andere kant van de ijsbaan zat een oude man ineengedoken in een lange bruine jas. Hij droeg een platte pet die over zijn ogen getrokken was. Aan de zijkanten piekte spierwit haar wat netjes geknipt was rond zijn oren. De man droeg zwarte leren handschoenen die hij tegen elkaar wreef om warm te blijven. Zijn blik ging nogmaals langs de lachende kinderen. Zou ze komen? Na al die jaren kon hij zich haar gezicht nog precies herinneren. De blonde krullen, de sprankelende ogen. Ze waren oud geworden, maar hij wist dat hij haar nog eens moest zien. Terwijl zijn ogen nogmaals door de mensenmassa gingen, bleven ze hangen bij een kleine verschijning aan de andere kant van de baan. Haar blauwe ogen keken in de zijne. Ze was gekomen. Er brak een glimlach door het gezicht van de man en hij voelde de tranen prikken achter zijn ogen. Hij wilde zijn stok pakken om op te staan; hij wilde zo snel mogelijk naar haar toe, haar in zijn armen nemen zoals hij daar al veertig jaar naar verlangde. Maar toen hij weer opkeek was ze verdwenen. Hij speurde het plein af, het plein uit hun jeugd, maar hij was haar kwijt. Hij bewoog zijn stok zenuwachtig tussen zijn vingers door terwijl hij haar opnieuw zocht. Had ze hem gezien en was ze weer gegaan? Was het één grote vergissing?
Toen voelde hij ineens een hand op zijn schouder en keek geschrokken op. Twee kleine blauwe ogen keken hem liefdevol aan omringd door een prachtig gezicht.
Zwijgzaam ging ze naast hem zitten en haar hand schoof in de zijne. Hun vingers strengelden als vanzelf in elkaar en hij hoorde haar een diepe zucht slaken.

Op het plein wordt gelachen, gedronken en kerstmuziek schalt door de luidsprekers. De lampjes in de bomen bewegen in de straffe wind terwijl sneeuwvlokken langzaam op de twee figuren op het bankje neerdwarrelen. Ze voelen geen kou; ze voelen enkel oude liefde die nooit is verdwenen.