De bakfiets

Nog voordat het plastic daadwerkelijk scheurt, gebeurt het al. De onderkant van de tas verdwijnt met een verbazingwekkend tempo en mijn boodschappen verspreiden zich over de stoeptegels. In mijn ooghoek zie ik een sinaasappel wegrollen en ik duik vliegensvlug naar beneden om er zoveel mogelijk vast te grijpen voordat het de straat op gaat. Terwijl ik de rest van de spullen snel naar me toe schuif, balanceer ik zo goed en zo kwaad als dat gaat met mijn rokje gebukt op de stoeprand.
‘Ook dat nog!’ mopper ik terwijl ik naar de reep chocolade graai die net wat verder van me afligt. Op het moment dat ik hem wil pakken, verschijnt er een mannenhand in mijn gezichtsveld die de reep oppakt. ‘Nog altijd je favoriet?’ klinkt een donkere stem en met bonzend hart trek ik mijn hand terug.

Ik hoef niet op te kijken om te weten aan wie die stem toebehoort. Die stem die ik al jaren uit mijn geheugen probeer te wissen en waar ik krampachtig niet meer aan denk. De stem die met een paar simpele woorden mijn hart brak. Derek.
‘Willemijn …’ Zijn warme stem klinkt als altijd vast en zelfverzekerd.
Ik krabbel overeind, me intens bewust van mijn rood aangelopen hoofd en ik klop wat grind van mijn rok af. Ik recht mijn schouders recht en vind met spoed mijn waardigheid terug. Al die tijd vermijd ik het oogcontact totdat ik er niet langer onderuit kom. Terwijl ik mijn trillende handen verhul achter flarden van de plastic tas richt ik mijn blik op zijn gezicht en mijn adem stokt even. Hij is nog altijd zo mooi.
Eerst denk ik dat hij niet is veranderd, dat de tijd heeft stilgestaan. De warrige donkere krullen, zijn mosgroene ogen die me onderzoekend aankijken en dat lange lichaam met de brede schouders. Maar als ik wat beter kijk, zie ik dat ook hij anders is dan toen. Zijn donkere haren, die nu wat korter zijn, kleuren rond zijn slapen hier en daar grijs en de rimpels rond zijn ogen zijn dieper dan ik me herinner. Ik staar hem aan wanneer hij zijn hand vluchtig over zijn ruwe stoppelbaardje veegt. Ik word overspoeld door herinneringen en emoties en dwing mezelf niet weg te kijken.
‘Eh, hoi.‘ Ik haal snel een hand door mijn haar en voel een stukje plastic tas. Ik zucht even en frommel de restanten van de tas in elkaar. Mijn hand knijpt in de prop plastic terwijl ik in zijn blik zoek naar… naar wat eigenlijk?
‘Dat is lang geleden.’ Hij laat een onwennig scheef lachje zien en ik zwijg.
Zijn woorden zijn overbodig. Het is inderdaad lang geleden maar klaarblijkelijk niet lang genoeg. Al vanaf het moment dat ik jaren geleden voor de eerste keer in zijn ogen keek, wist ik dat ik de rest van mijn leven die blik zou moeten vermijden. Het is zeker vier jaar geleden dat we elkaar voor de laatste keer zagen. Vier jaar en drie maanden geleden dat hij koos zijn hart te volgen, waar ik tot mijn ontsteltenis geen onderdeel van bleek te zijn.
‘Wat doe je hier…?’ Ik gebaar om me heen. We staan op de stoep voor de supermarkt waar ik al jaren probleemloos naartoe ga. Toen ik hem vier jaar en drie maanden geleden noodgedwongen uit mijn leven wiste, ben ik verhuisd naar de andere kant van de stad en heb hier een nieuw leven opgebouwd. Een leven zonder hem, zonder al die plekken die me aan hem herinneren en de eeuwige twijfel over wat had kunnen zijn.
‘Ik eh…was in de buurt.’ Ik hoor dat hij niet oprecht is en ik knijp mijn ogen even toe terwijl ik zijn blik probeer te doorgronden. Vroeger was dat geen probleem; ik kende elke blik, elke beweging en wist feilloos wat hij wilde zeggen en dacht. Althans, dat dacht ik ten minste.
‘Voor eh…werk,’ vervolgt hij snel en tilt een canvas tas op die hij in zijn hand houdt.
Ik volg het gebaar en knik. ‘Aha.’ Het blijft even stil en de lucht tussen ons in lijkt drie keer zo dik als normaal terwijl de wereld om ons heen in slow motion beweegt. Dan schud ik mijn hoofd en kom weer bij zinnen.
‘Nou, ik eh … moet gaan.’ Ik wil hem eigenlijk geen kans geven om nog te reageren, maar zo gauw mijn blik op de verzameling levensmiddelen op de stoep valt, besef ik dat ik nu niet zomaar weg kan lopen. Ik knik hem nog even toe en mompel een groet in de hoop dat hij de hint begrijpt en vertrekt terwijl ik opnieuw buk om de spullen in mijn armen te laden. Tot mijn grote afschuw bukt hij zich ook en kopieert mijn handeling. Met lede ogen zie ik zijn armen steeds verder gevuld met mijn boodschappen.
‘Ik loop wel even met je mee…’
Ik weet niet wat ik moet zeggen en dus lopen we zwijgend naar mijn kleine auto die iets verderop geparkeerd staat. Onhandig open ik de achterklep en gooi de boodschappen in de krat die achterin staat. Ik voel me ineens kwetsbaar alsof de boodschappen me zo-even nog beschermden. Derek legt zijn deel van de boodschappen voorzichtig in de krat en blijft even zwijgend staan terwijl ik om hem heen loop naar het portier.
‘Willemijn, ik…’
Ik wacht niet om te horen wat hij wil zeggen, maar stap in, trek de deur snel dicht en ik steek met trillende handen de sleutel in het contact om de auto te starten.
Een paar seconden later zie ik hem langzaam kleiner worden in de achteruitkijk spiegel terwijl ik op mijn lip bijt om mijn tranen te bedwingen.

‘Wat? Is Derek hier? Waarom? Is hij terug?’ Mijn vriendin Floor windt zich enorm op aan de andere kant van de lijn wanneer ik haar vertel wie ik die middag tegen het lijf liep.
‘Ik weet het niet. En eerlijk gezegd heb ik hem ook niet de kans gegeven om iets uit te leggen.’ Ik druk de telefoon met mijn schouder tegen mijn oor terwijl ik een krat groenten op het grote aanrecht til. ‘Ik schrok me dood en ben er als een idioot vandoor gegaan.’ Mijn buik trekt samen wanneer ik opnieuw aan onze ontmoeting denk.
Ik zucht een keer diep en begin de krat uit te laden. ‘Het was … bizar.’
‘Natuurlijk. Hoe lang is het nu geleden? Drie, vier jaar? En al die tijd heb je toch nooit meer iets van hem gehoord? Ik bedoel, zou hij definitief terug zijn, wil hij…?’
Ik sorteer de groenten en bedenk hoe ik ze deze avond voor de gerechten op ons menu kan gebruiken terwijl ik met een half oor naar Floor luister. Mijn gedachten dwalen af naar mijn tijd met Derek samen. Ik heb geen idee hoe zijn leven er nu uit ziet. Sterker nog, ik wist niet eens dat hij weer in Nederland was. Zou hij…?
Ik schud de gedachten van me af.
‘Hallo, aarde tot Willemijn?’ Floors stem haalt me weer terug naar nu. ‘Ben je daar nog?’
Ik pak de telefoon met mijn nu vrije hand en wissel hem naar mijn andere oor.
‘Ja, ik ben er nog. Ik ben gewoon in de war. Ik bedoel, het was me aardig gelukt om alles te vergeten, hém te vergeten. Maar toen ik hem weer zag…’ Ik stop even om te zuchten. ‘Ik weet het niet …’
‘Ik snap het.’ Floor zwijgt even voor ze verder gaat. ‘Ik geloof oprecht dat hij van je hield toen, écht…’
Ik glimlach. Floor heeft Derek altijd gemogen en heeft hem door de jaren heen nog altijd zwakjes verdedigd. Natuurlijk keurde ze niet goed wat hij had gedaan, maar het was fijn dat er nóg iemand was die hem nooit een totale klootzak vond, ongeacht zijn keuzes.
Derek en ik ontmoeten elkaar toen we allebei net afgestudeerd waren en de wereld nog aan ons voeten lag. Ik ging aan de slag als kok in een populair restaurant en zijn journalistieke artikelen verschenen steeds vaker in de grotere dagbladen. We waren gelukkig en ik droomde van ons leven samen; een leuk boerderijtje aan de rand van de stad, een bakfiets voor het hele gezin zoals Derek me altijd gekscherend beloofde en de mooie reizen die we zouden maken. Nog nooit eerder had ik voor iemand gevoeld wat ik voor Derek voelde, hij begreep me, motiveerde en gaf me het zelfvertrouwen om de wereld aan te kunnen. Toen Derek me vertelde dat hij was gevraagd om als oorlogsverslaggever naar Irak te gaan voor onbepaalde tijd, was ik zo trots op hem dat ze hem daarvoor hadden gevraagd. Ik dacht echter geen moment dat hij het daadwerkelijk zou overwegen. De dag dat hij me vertelde dat hij de baan aannam en zonder mij vertrok, brak hij de zeepbel én mijn hart in duizend stukken.

Het is druk in ons kleine restaurant die avond en ik werk de benen onder mijn lijf vandaan. Terwijl ik onze twee keukenhulpen bijna aan één stuk door opdrachten toe roep, veeg ik het zweet van mijn voorhoofd en druk op de bel ten teken dat er nieuwe gerechten klaarstaan om uit te serveren. Het is zo druk dat ik amper tijd heb om over Derek na te denken en dat helpt. Het zal een kwestie van een paar dagen zijn om deze bizarre ontmoeting uit mijn systeem te krijgen maar daarna komt het wel weer goed. Ik red het immers al jaren, toch? Sinds Derek is vertrokken, vond ik een leuk knus huisje , heb ik samen met mijn oud-collega Joyce dit restaurant gestart en zelfs een relatie van twee jaar gehad met Rob. Helaas hield het geen stand, omdat we toch niet goed genoeg bij elkaar pasten. Ik miste dat ene gevoel. Dat gevoel dat Derek me wel gaf. En hoewel ik wéét hoe oneerlijk het is om andere mannen met Derek te vergelijken, het gebeurt toch, telkens weer. Ik kan het niet helpen.
Pas wanneer de laatste desserts zijn uitgeserveerd, alles is gepoetst en de keukenhulp naar huis is gestuurd, hijs ik mezelf op het schone aanrecht en schuif mijn handtas naar me toe. Ik graai naar de reep chocolade en met een diepe zucht trek ik de felgekleurde wikkel los. Met mijn gedachten bij die middag, zet ik mijn tanden in de reep en zwaai met mijn benen heen en weer om het bloed weer te laten stromen in mijn vermoeide benen. Ik voel mijn lichaam langzaam ontspannen en mijn schouders zakken naar beneden terwijl ik zachtjes met de muziek mee neurie die uit het kleine radiootje in de hoek van de keuken komt. De klapdeur achter me gaat open en dicht en ik verwacht de gehaaste voetstappen van Joyce te horen om snel iets uit de keuken te pakken. Maar het blijft stil.
Met mijn mond vol draai ik me verbaasd om naar de deur en verstijf dan.

Derek staat met een schuldige blik in de keuken. Mijn keuken. Hij draagt een vale spijkerbroek met een donker overhemd dat om zijn bovenarmen spant. Ik slik mijn hap chocolade door en op het moment dat hij iets wil zeggen, gaat tegelijk de deur achter hem opnieuw met een klap open. Joyce verschijnt met een gejaagde blik in de deuropening. ‘Sorry meneer, u mag hier niet komen…’ Ze kijkt mij verontschuldigend aan. ‘Hij liep zomaar door…’ Ze houdt de deur open en wappert nadrukkelijk met haar handen om duidelijk te maken dat hij weg moet gaan. Derek blijft echter staan en zijn blik laat de mijne niet los. Honderden vlinders fladderen omhoog en ik haat mezelf erom.
Joyce’ blik verandert en ze kijkt nieuwsgierig van mij naar Derek en vragend weer terug.
‘Het is goed,’ fluister ik en laat mezelf van het aanrecht af glijden. Terwijl een verbaasde Joyce zwijgend de klapdeur weer laat dichtvallen en in het restaurant verdwijnt, staat Derek in een paar tellen voor me.
‘Willemijn…’ Mijn naam klinkt als zoete honing wanneer hij hem uitspreekt en brengt me terug naar de tijd dat zijn armen om me heen nog vanzelfsprekend waren. Onwillekeurig gaat mijn blik naar zijn borstkas, de stevige armen en dan omhoog naar zijn groene ogen. Groen, met kleine gouden vlekjes. Precies zoals ik me ze herinner.
‘Wat kom je doen?’ weet ik uit te brengen en zet een stap achteruit om mezelf weer in de hand te krijgen.
‘Ik kom voor jou.’ Zijn blik houdt de mijne vast en een wervelwind aan emoties begint in mij te kolken. Verlangen, boosheid en verdriet vechten om voorrang en ik adem diep in om mezelf te herpakken. Ik pak met één hand het aanrecht vast en het koele staal kalmeert me een beetje.
Derek doet een stap naar me toe en heft zijn hand op. ‘Je hoeft niets te zeggen, laat mij eerst praten. Alsjeblieft.’ Hij staat nu zo dichtbij dat ik hem ruik. Zijn aftershave vermengt met de geur van dennen en hout. Die geur die me altijd al deed duizelen. Ik knik langzaam en zie dat zijn blik verandert, zacht en smekend.
‘Ik dacht dat ik zonder je kon,’ begint hij dan. ‘Ik dacht dat ik de kans van mijn leven niet kon laten schieten, ik móest gewoon die baan nemen …’ Hij haalt een hand door zijn donkere krullen terwijl hij naar woorden lijkt te zoeken.
Ik wil boos worden. Protesteren. Maar wanneer ik mijn mond open doe, heft hij zijn hand opnieuw op. ‘Nog even…’ zegt hij vastberaden. ‘Ik nam een keuze. Zoals ik al zei, ik dacht dat het de kans van mijn leven was. Ik was jong en naïef, overmoedig wellicht. Dacht dat ik wilde reizen, het avontuur tegemoet. Het beangstigde me dat ons leven al zo uitgestippeld leek. Mijn gevoel zei me dat ik weg móest. Maar in werkelijkheid liet ik de kans van mijn leven achter. Hier, in Nederland. ’ Hij kijkt me doordringend aan en zwijgt even.
‘Waarom?’ Ik schud mijn hoofd en zet een stap naar achteren. ‘Waarom liet je dan niets weten?’
Ik denk aan de weken, máánden waarin ik me nog nooit zo verloren en gebroken heb gevoeld als wanneer hij vertrok en mij alleen achterliet. Geen telefoontje, geen mailtje…niets.
Derek haalt zijn schouders op. ‘Ik was laf. Ik miste je vreselijk maar vond dat ik mijn keuze had gemaakt. Ik vond mezelf zo’n eikel dat ik het verdiende om doodongelukkig te zijn en ik stortte me volledig op het werk. Ik heb jaren niets anders gedaan dan werken daar. Het was er vreselijk. Maar daar gaat het niet om.’
‘Hoe lang ben je terug?’ Mijn blik dwaalt weer over zijn donkere haren en dan naar zijn smekende ogen.
‘Een klein half jaar. Ik … ik moest moed verzamelen om je op te zoeken.’
Ik zwijg en laat toe hoe hij een paar passen naar me toe zet. Ik voel zijn warmte en wanneer ik onwillekeurig nog een stap naar achter wil zetten, bots ik met mijn rug tegen de muur aan. Ik sta klem tussen de man die ooit mijn hart brak maar nooit uit mijn gedachten ging en de koude, witte tegels van mijn veilige haven.
‘Ik snap dat ik je overval en je hebt alle recht om boos te zijn maar…’ Hij pakt mijn hand vast en ik kijk er zwijgend naar. ‘Geef me een kans om te laten zien wie ik nu ben en dat alles wat ik nodig heb hier voor me staat.’ Zijn warme grote hand omvat de mijne en het voelt vertrouwd.
Ik bijt op mijn lip, kijk naar hem op en ik onderdruk de neiging om mijn hoofd tussen zijn schouder en hals te laten rusten precies zoals ik vroeger altijd deed. Het is alsof de tijd heeft stil gestaan.
Hij buigt zich langzaam naar me toe en wanneer hij ziet dat ik me niet terugtrek, zie ik de blik in zijn ogen veranderen. Een flinterdun straaltje hoop schiet door het bekende mosgroen.
Mijn hart schiet als een razende uit de startblokken wanneer zijn lippen de mijne raken en ik kan niet helpen dat een enkele traan uit mijn ooghoek ontsnapt. Derek trekt zich terug en drukt een korte kus op mijn wang om de traan op te vangen. ‘Het spijt me zo…’ mompelt hij terwijl zijn lippen zachtjes langs mijn voorhoofd strelen en daar, op dat moment, val ik opnieuw als een blok voor hem. Dan zet hij vastberaden een stap achteruit en schraapt zijn keel. Verbaasd kijk ik toe hoe hij iets uit de broekzak van zijn jeans haalt. Wanneer hij zijn hand naar me uitsteekt, zie ik iets kleins in zijn hand liggen. Het is een glimmende sleutel en ik kijk hem verward aan. Met een glimlach om zijn lippen kijkt hij terug en haalt even diep adem. ‘Dit is mijn vredesoffer.’
‘Wat is dit?’ Met opgetrokken wenkbrauwen pak ik de sleutel uit zijn hand en draai hem onderzoekend rond.
‘Dit is de sleutel van je bakfiets.’